Слике страница
PDF
ePub

met mij met belangstelling van dat artikel kennis genomen.

Ik vermeen echter met bescheidenheid te mogen betwijfelen of het door den geachten schrijver aangegeven middel, tot vermijding eener herhaling van het bij de door hem bedoelde stranding voorgevallene, blijken zal in de praktijk voor belanghebbenden die vruchten te dragen die hij zich daarvan voorstelt.

Mijne bedoeling is evenmin om te critiseeren als om een pennestrijd uit te lokken of te voeren, ik wensch alleen, op grond mijner achtjarige practische ervaring op het gebied van avarij- en strandingzaken, mijne meening omtrent het gewichtige vraagstuk der strandvonderij kenbaar te maken.

Op welke wijze toch worden de op het strand aangedrevene voorwerpen door den burgemeester-strandvonder beheerd? Ieder die op onze kusten bekend is weet dat zulks geschiedt door den burgemeester zelf, indien hij dicht bij zijn strand woont; of indien hij te ver afwoont, of door zijne overige ambtsbezigheden verhinderd is, door een onderstrandvonder.

In het eerste geval is de contrôle vrij goed, want met behulp der politie weet hij in de meeste gevallen de noodige orde te handhaven. Hierbij komt ook de vrees zijner onderhoorigen, in casu de bergers, dat zij, iets van het aangedrevene ontvreemdende, zullen worden verraden, want, zooals zij dat gewoonlijk zeggen: „het is van den burgemeester en er mag dus niets verloren gaan." Waarom nu legt de burgemeesterstrandvonder in zoodanig geval dikwijls zooveel ijver aan den dag om te bergen wat hij kan, hetzij dit dan ook wat meer of minder kosten moge; en mijn antwoord is omdat iedere kist of baal, balk of wat het ook zijn moge, de belooning voor de door hem bewezene diensten geheel als van zelve medebrengt.”

Belanghebbenden echter ondervinden ook de goede gevolgen daarvan, want hoe meer geborgen wordt, destemeer blijft er voor hen behouden, en ik zal er dus niet aan denken hem daar

een verwijt te maken. Niets is bovendien naar mijne meening natuurlijker dan dat iemand zich zelfs in ruw weder en koude nachten op weg begeeft om te trachten zijn matig inkomen eenigszins te verhoogen. Niet alle burgemeesterstrandvonders toch zijn gefortuneerd, en wanneer men hun dikwerf zeer klein inkomen in aanmerking neemt, zoude het zeer onbegrijpelijk zijn indien niet zij, evenals ieder ander onvermogend man, zich met ijver en vlijt toelegden op het verhoogen van hun inkomen.

over

Ik durf echter wel betwijfelen of dezelfde ijver en vlijt bij hem zal blijven bestaan, zoodra hij die bron van inkomsten vervangen ziet door een traktementsverhooging; minstgenomen zal zeer dikwijls zijne persoonlijke tegenwoordigheid, die in de meeste gevallen zeer veel waard is en den bergers ontzag inboezemt, - ontbreken. Ik heb het genoegen nagenoeg al de burgemeester-strandvonders persoonlijk te kennen, maar ik houd mij overtuigd dat velen hunner het eens zullen zijn met hunnen ambtgenoot van eene onzer dichtsbijgelegene kustplaatsen, die ik daarover sprak en 'mij, op mijne vraag omtrent zijne meening daarover, ten antwoord gaf: „denkt gij „dat ik dan, evenals voor eenige dagen geleden, zelf 's nachts „naar strand zoude gaan om, vóórdat de vloed in het water ,,kwam, alles te bergen? Ik zoude zeker den veldwachter, enz. ,,daarvoor hebben laten zorgen."

Zoude ik dus om bovengenoemde redenen uit eene traktementsverhooging slechts nadeel voor belanghebbenden voorzien, in de gevallen dat de aangedrevene goederen door den burgemeester zelf worden beheerd, des te grooter gevaar bestaat daarvoor, wanneer het tweede door mij genoemde geval plaats heeft en de zorg voor dat beheer aan den onderstrandvonder is overgelaten. Deze toch, gewoonlijk niet anders dan een’ landbouwer of stalhouder, dicht bij het strand wonende, heeft op de bergers als vanzelve niet dien invloed, dien de burgemeester op hen kan uitoefenen. Hij is bovendien meestal zelf bij de berging geïnteresseerd, daar hij met zijne paarden en wagens, of zelf mederijdt, of die aan andere bergers verhuurt, en, hoewel onder contrôle van den burgemeester, kan deze hem onmogelijk goed controleeren, want hij zelf komt, althans tijdens de berging, zelden of nooit op de strandingsplaats. Mij zijn voorbeelden bekend van burgemeester-strandvonders die, eene maand na de aandrijving en berging, nog niet konden opgeven welke kosten op de aangedrevene goederen gevallen waren, daar zij die nog niet van hunnen onder-strandvonder hadden opgekregen.

Eene vermindering van beheerloon voor ongereclameerde goederen, waaronder ook die goederen begrepen moeten wor

voor

den, waarvan de belanghebbenden alleen het netto provenu wenschen te reclameeren, zoude naar mijne meening even gevaarlijke gevolgen hebben, want bij vele gelegenheden zoude het voor den burgermeester-strandvonder niet de moeite waard zijn zich voor de berging veel moeite te geven, integendeel voor die goederen zoude ik het bestaande tarief wenschen gehandhaafd te zien. Alleen voor die goederen, die onmiddellijk bij, of kort na de stranding, worden gereclameerd, en waarvan de berging en het geheele verdere beheer door de belanghebbenden zelven bezorgd worden, is eene vermindering van beheerloon bepaald en dringend noodig, eene meening die ook door enkele burgemeesters gedeeld wordt. Waarom toch moet nien eene lading die aandrijft, kort nadat het schip op de buitenbanken verbrijzeld is en waarvan de berging aan belanghebbenden, die binnen een zeer korten tijd ter plaatse kunnen zijn, wordt overgelaten, evenveel beheerloon betalen, als het geval zoude geweest zijn wanneer de geheele bereddering door den burgemeester had plaats gehad ? Gelukkig heeft ook de Minister het billijke daarvan ingezien, en hebben wij dus spoedig daarin verbetering te wachten.

Afschaffing der onder-strandvonders of liever gezegd intrekking van de indertijd verleende autorisatie tot het aanstellen dezer personen, bepaling dat de burgermeester-strandvonder wonen moet binnen de gr en van zijn strand, zoude in vele, ja de meeste gevallen, zeer gunstig werken, en konden dan de rekeningen door Gedeputeerde Staten in het hoogste ressort worden nagezien en zoo noodig gewijzigd, zoodat men niet voor eventueele aanmerkingen daarop, onmiddellijk naar den gewonen rechter verwezen werd, dan werden belanghebbenden dikwijls vele moeite en onaangenaamheden bespaard.

Eene even dringend noodige voorziening of liever duidelijker omschrijving vereischt Art. 562 Wetboek van Koophandel, waarvan de re alinea aldus luidt:

De gevallen, waarin bergloon wordt toegestaan, zijn:

„Wanneer schepen of goederen, hetzij uit zee of op de stranden, onbeheerd en als zeevonden, worden gevischt, gevonden of geborgen;"

want de ondervinding heeft geleerd dat de opvatting daarvan bij de verschillende burgemeester-strandvonders op verre na niet dezelfde is. De meesten toch beweerden, tot zelfs nog zeer onlangs, dat uit die alinea begrepen moest worden, dat hun, als burgemeester-strandvonder, bij aangedrevene en geborgene goederen, buiten hun beheerloon en behalve de door hen betaalde sjouw-, rij-, waakloonen enz., die belanghebbenden natuurlijk restitueeren, nog bergloon toekwam, waarvan de hoegrootheid door hen zelven bepaald werd, geheel en alleen omdat de goederen ,onbeheerd" waren geborgen, zich daarbij baseerende op de omstandigheid, dat de rekeningen over ongereclameerd goed, waarin door hen, als extra-loon, bergloon berekend was, steeds door Gedeputeerde Staten worden goedgekeurd. En mochten ook al enkelen overtuigd zijn geworden van hunne onjuiste opvatting van dat artikel, allen hebben het nog niet toegegeven en blijven hunne meening bepaald als de juiste beschouwen.

Dat zoodoende, bij iedere voorkomende gelegenheid, voor belanghebbenden dezelfde onaangenaamheden en natuurlijk nadeelen ontstaan, behoef ik zeker niet te bemerken. Indien toch eventueele verschillen niet op eene minnelijke wijze uit den weg kunnen geruimd worden, zijn zij wel genoodzaakt toe te geven, want wie kan voor elke avarijzaak, waarin de burge meester-strandvonder tegenover hem staat, een proces beginnen?

Kon dus de Minister besluiten bovengenoemd artikel zoodanig te wijzigen of te omschrijven, dat geen onbegrijpelijke burgemeester-strandvonder zich in de bedoeling kan vergissen, dan zoude hij zeker eene bepaalde weldaad bewijzen.

Ik weet wel dat velen zullen zeggen dat die nadere omschrijving niet noodig is, dat dit artikel te duidelijk is en iedereen begrijpt dat men geen bergloon betaalt dan aan dengeen, die werkelijk geborgen heeft, en theoretisch hebben zij volkomen gelijk, maar de practijk heeft menigmaal geleerd dat die duidelijkheid wellicht te groot is, want zij is voor velen op de kust nog zeer onduidelijk.

Zoudt gij mij Mr. de redacteur voor het bovenstaande eene plaats in uw tijdschrijft willen geven, dan zoudt gij mij zeer verplichten.

Uw Dienstw. Dienaar,

J. A. BREDIUS.
Amst., Januari 1879.

Kan het onderzoek naar kleurenblindheid al dan niet aan een leek in de oog

heelkunde worden overgelaten?

Kleurenblindheid is eene betrekkelijk nieuwe ziekte. Eerst in het jaar 1777 werd den Engelschen natuurkundige Priestley medegedeeld dat er in Cumberland een schoenmaker woonde, die bijzonder ongevoelig voor kleuren was en wèl hoofdzakelijk voor rood. De zaak bleef hierbij, tot in 1794 Dalton, een natuurkundige, dit gebrek bij zich zelf ontdekte en beschreef; ter zijner eere werd van Fransche zijde de naam Daltonisme ingevoerd. Den zeer onvruchtbaren strijd omtrent de oneigelijke benamingen Kleurenblindheid en Daltonisme kunnen wij hier gelukkig onaangeroerd laten.

Drie theoriën bestaan omtrent het waarnemen der kleuren. 10. Die van Hering, die aanneemt dat er 4 kleurwaarnemingen bestaan, die twee aan twee gepaard zijn, nl.: rood met groen en blauw met geel, zoodat iemand, die roodblind is tevens groen-blind is, en een blauwblinde tevens geelblind.

20. Die van Young-Helmholtz, waarin aangenomen wordt dat er drie zenuwuiteindingen bestaan, die elk een afzonderlijke kleur percipiëeren, en wel: rood, groen of violet; naarmate een of meer dier specifieke zenuwuiteindingen in hare functie gestoord is, heeft men dus te doen met rood-, groen- of violetblindheid of wel met totale kleurenblindheid.

30. Beschouwen twee Belgische geleerden Spring en Delboeuf de kleurenblindheid niet als een verminderde functie van eenig zenuwelement, maar als sterk vermeerderde werkzaamheid der anderen.

Het onderzoek of iemand kleurenblind is kan geschieden door hem gekleurde saijet of papier, liefst op donkeren grond, voor te houden en hem de kleur te doen opnoemen. Of wel men gebruikt daartoe de gekleurde letterproeven van Stilling

« ПретходнаНастави »